anglist

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • an·glist
enkelvoud meervoud
naamwoord anglist anglisten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

anglist m

  1. (taalkunde) iemand die de Engelse taal- en letterkunde heeft bestudeerd
    • Steinz studeerde Engels en oude geschiedenis in Amsterdam, een achtergrond die hij zelf verbond met de wijze waarop hij als criticus te werk ging, nooit schromend om verbanden binnen en buiten de literatuur te leggen. „Misschien komt het doordat ik als historicus en anglist in de literatuurkritiek verzeild ben – en niet zoals zoveel van mijn collega’s als neerlandicus – maar ik schreef en las altijd liever een stuk over een boek of een interview met een schrijver dan een essay over de rol van de kritiek of het vermeende gezagsverlies van de boekbespreker.” Hij schreef ook veel over popmuziek en was enige tijd filmredacteur. In 2015 schreef hij op verzoek van de Stichting CPNB het Boekenweekessay Waanzin in de wereldliteratuur en was hij een van de eregasten op het Boekenbal.[1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

49 % van de Nederlanders;
34 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. NRC 30 augustus 2016