anglicaans

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • an·gli·caans
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen anglicaans anglicaanser anglicaanst
verbogen anglicaanse anglicaansere anglicaanste
partitief anglicaans anglicaansers -

Bijvoeglijk naamwoord

anglicaans

  1. behorend bij de Engelse (anglicaanse) staatskerk

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be