anderstalige

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • an·ders·ta·li·ge
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord anderstalige anderstaligen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

anderstalige v/m

  1. iemand wiens moedertaal een andere is dan algemeen gesproken in een gebied
    • Steeds meer anderstaligen wonen in Nederland. 


Bijvoeglijk naamwoord

anderstalige

  1. verbogen vorm van de stellende trap van anderstalig

Gangbaarheid