amuzikaal

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • amu·zi·kaal
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen amuzikaal amuzikaler amuzikaalst
verbogen amuzikale amuzikalere amuzikaalste
partitief amuzikaals amuzikalers -

Bijvoeglijk naamwoord

amuzikaal

  1. niet muzikaal, geen aanleg hebbende voor muziek
    • Hoewel hij amuzikaal was, kon hij zonder radio niet leven. 
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
81 % van de Vlamingen.