amusant

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • amu·sant
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘vermakelijk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1824 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen amusant amusanter amusantst
verbogen amusante amusantere amusantste
partitief amusants amusanters -

Bijvoeglijk naamwoord

amusant

  1. vermakelijk, grappig, vrolijk, licht
    • Hij vertelde enkele amusante verhalen. 
     Om zijn lippen speelde de amusante glimlach van iemand die het leven niet zo serieus neemt.[2]

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen


Frans

  enkelvoud meervoud
  mannelijk   amusant amusants
  vrouwelijk   amusante amusantes

Bijvoeglijk naamwoord

amusant

  1. amusant

Werkwoord

amusant

  1. tegenwoordig deelwoord (participe présent) van amuser