amplificeer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • am·pli·fi·ceer

Werkwoord

vervoeging van
amplificeren

amplificeer

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van amplificeren
    • Ik amplificeer. 
  2. gebiedende wijs van amplificeren
    • Amplificeer! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van amplificeren
    • Amplificeer je?