amoebe

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • amoe·be
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het modern Latijn, in de betekenis van ‘slijmdiertje’ voor het eerst aangetroffen in 1858 [1]
  • uit het Latijn [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord amoebe amoeben, amoebes
verkleinwoord amoebetje amoebetjes

Zelfstandig naamwoord

amoebe v/m

  1. (biologie) een ééncellig diertje
    • Onder de microscoop waren meerdere amoeben zichtbaar. 
Vertalingen

Gangbaarheid

90 % van de Nederlanders;
82 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen