amfoor

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • am·foor
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kruik’ voor het eerst aangetroffen in 1873 [1]
  • afgeleid van het Griekse 'amphí-' (aan beide kanten) met het achtervoegsel -foor [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord amfoor amforen
verkleinwoord amfoortje amfoortjes

Zelfstandig naamwoord

amfoor v/m

  1. een door de oude Grieken en Romeinen gebruikte buikige kruik met twee oren
    • In dit museum staat een prachtige amfoor. 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

52 % van de Nederlanders
76 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen