amechtig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • amech·tig
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘sterk hijgend’ voor het eerst aangetroffen in 1574 [1]
  • Afgeleid van amacht met het achtervoegsel -ig, afgeleid van macht met het voorvoegsel a-,
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen amechtig amechtiger amechtigst
verbogen amechtige amechtigere amechtigste
partitief amechtigs amechtigers -

Bijvoeglijk naamwoord

amechtig

  1. sterk hijgend
  2. kortademig.
  3. overdrachtelijk krampachtig, vertwijfeld
    • Hij deed een amechtige poging zijn beschadigde imago weer wat op te poetsen. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Bijwoord

amechtig

  1. op amechtige wijze

Gangbaarheid

71 % van de Nederlanders
50 % van de Vlamingen.

Verwijzingen