ambulancier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • am·bu·lan·cier
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ambulancier ambulanciers
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ambulancier m

  1. (medisch) (beroep) iemand die als bestuurder van of begeleider in een ziekenauto werkt
    • Een ambulancier van een privébedrijf voor ziekenvervoer heeft vrijdagavond zijn ziekenwagen achtergelaten in Latem in Oost-Vlaanderen terwijl achterin nog een patiënt lag. [1]
  2. (verouderd) (militair) iemand die gewonden op het slagveld helpt
    • Een warme en genegen groet aan den jongen schrijver, die thans in het Belgisch leger dient als ambulancier! [2]
Synoniemen

Gangbaarheid

51 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
Woordafbreking
  • am·bu·lan·cier
Woordherkomst en -opbouw
  enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
mannelijk   ambulancier     le ambulancier     ambulanciers     les ambulanciers  
vrouwelijk   ambulancière     la ambulancière     ambulancières     les ambulancières  

Zelfstandig naamwoord

ambulancier m

  1. (medisch) (beroep) ambulancier
Overerving en ontlening