ambulanceverpleegkundige

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

ambulanceverpleegkundige
Uitspraak
Woordafbreking
  • am·bu·lan·ce·ver·pleeg·kun·di·ge
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ambulanceverpleegkundige ambulanceverpleegkundigen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ambulanceverpleegkundige v/m

  1. (beroep) (medisch) iemand die voor een patiënt zorgt tijdens het ziekenvervoer
     Ík opende mijn mond om te antwoorden, toen de buitendeur opensloeg en twee ambulanceverpleegkundigen naar binnen liepen, direct door de trap af, naar Jocelyn.[1]
     In de serie 'In de frontlinie' publiceren we dagelijks de ervaringen van zorgmedewerkers die we de komende tijd volgen. De tekst komt tot stand na een interview met een NOS-redacteur. Vandaag ambulanceverpleegkundige Hanna Bonnes.[2]
Hyponiemen
Verwante begrippen

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Mariska Overman op Wikipedia “Noorderlicht” (2021), de Crime Compagnie, ISBN 9789461094766
  2. Bronlink geraadpleegd op 30 januari 2022 Weblink bron “'Spoed is spoed: denk niet ze zijn vast te druk'” (28-03-2020), NOS