ambtseed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Barack Obama legt de ambtseed af
Uitspraak
Woordafbreking
  • ambts·eed
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ambtseed ambtseden
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

ambtseed m [1]

  1. officiële gelofte die iemand aflegt bij het aanvaarden van een publieke functie
    • Hij kwam in opspraak omdat hij eerder als minister van Binnenlandse Zaken SPD-politici had getipt over een gerechtelijk vooronderzoek tegen hun partijgenoot Edathy. Daarmee zou hij zijn ambtseed hebben geschonden. [2] 
    • Pater Hofstede, die afkomstig is van de carmelietenparochie Titus Brandsma uit Dordrecht, verzorgt al vanaf 1 maart de kerkdiensten, maar werd zondag officieel voorgesteld aan de in groten getale opgekomen parochianen. Onderdeel van de viering was de aflegging van de ambtseed en de hernieuwing van de wijdingsbeloften. [3] 
    • Om 11 uur gaat Gauck Merkel benoemen in kasteel Bellevue, de ambtswoning van het staatshoofd in hartje Berlijn. Om 12 uur legt Merkel haar ambtseed af in de Bondsdag. In de middag volgt de benoeming en beëdiging van de ministers. Het kabinet komt om 17 uur voor het constituerend beraad bijeen in de bondskanselarij. [4] 
Vertalingen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen