ambitus

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Latijn

Zelfstandig naamwoord

ambitus m

  1. het gaan om iets, omloop
    1. rand, zoom, omvang
  2. in het bijzonder met betrekking tot woordgebruik:
    1. omhaal
    2. periode, volzin
  3. het rondgaan om iemand
    1. het onrechtmatig kandidaat stellen voor ereambten, kuiperij, het om iets verzoeken
    2. eerzucht, ijdelheid, praalzucht
Verbuiging


Verwijzingen

  • s.v. ambitus, in J.B. Kan - H.P. Schröder (ed.), Latijnsch-Nederlandsch Woordenboek, Utrecht, 1864, p. 31.