ambitie

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • am·bi·tie
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘eerzucht’ voor het eerst aangetroffen in 1555 [1]
  • uit het Frans [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord ambitie ambities
verkleinwoord ambitietje ambitietjes

Zelfstandig naamwoord

ambitie v

  1. het begeren een bepaald succes te behalen
    • Het was zijn ambitie niet om daar een carrière van te maken. 
    • Word je er wel eens bang van? Je hebt vaak gezegd dat je eeuwig wilt leven, je maakt daar op het moment zelfs een televisieprogramma over: ‘Nee, want ik voel me nu goed. Ik vind het trouwens een volkomen natuurlijke ambitie om eeuwig te willen leven. [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen