Naar inhoud springen

amateurisme

Uit WikiWoordenboek
  • ama·teu·ris·me
enkelvoud meervoud
naamwoord amateurisme -
verkleinwoord - -

hetamateurismeo

  1. het beoefenen uit liefhebberij
     De derde manier waarop sport klassenbewustzijn voedde had te maken met opvattingen over amateurisme en betaalde sportbeoefening.[2]
     Alle winnaars kregen geldprijzen (die in de oudheid in Olympia niet op het programma hadden gestaan, maar wel elders: het ideaal van antiek amateurisme is een negentiende-eeuwse mythe) en soms een zeer speciale extra prijs.[2]
  2. (pejoratief) dilettantisme
97 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[3]


enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  amateurisme     l'amateurisme     amateurismes     les amateurismes  

amateurisme m

  1. amateurisme [1]
  2. amateurisme [2]