alwijs

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·wijs
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen alwijs alwijzer alwijst
verbogen alwijze alwijzere alwijste
partitief alwijs alwijzers -

Bijvoeglijk naamwoord

alwijs [1]

  1. alles wetend, alles kennend
     Juist die dubbelheid betrekt ons bij het wonder van de persoon van Jezus. Als Gods Zoon is Hij één met de Vader, en is met de Vader almachtig, alwijs, eeuwig. Maar Hij is ook werkelijk mens geworden. Daarom is Hij als kind gegroeid in wijsheid en kennis. Wat Hij als God volkomen had, moest Hij als mensenkind verwerven.[2]
     Omdat de Schepper alwijs is, heb ik gegronde hoop dat door in deze lijn te boeren een stuk van de last die veel boeren ervaren, wordt weggenomen.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

53 % van de Nederlanders;
59 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron “Onwetendheid van Jezus over wederkomst snijdt speculatie de pas af” (03-12-2011), Reformatorisch Dagblad
  3. Bronlink Weblink bron Ds. M. van Reenen “Grondiger Bijbelse doordenking landbouw nodig” (16-06-2017), Reformatorisch Dagblad
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be