alvleesklier

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

alvleesklier
Uitspraak
Woordafbreking
  • al·vlees·klier
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord alvleesklier alvleesklieren
verkleinwoord alvleeskliertje alvleeskliertjes

Zelfstandig naamwoord

alvleesklier v/m

  1. (anatomie) een klier die enzymen afscheidt in de twaalfvingerige darm om de afbraak van zetmeel, vet en eiwitten te bevorderen
    • Het is erg belangrijk dat de alvleesklier goed functioneert. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen