alopecia

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

1. P. Collina op Wikipedia (nl) kreeg rond zijn 30e alopecia.
Uitspraak
Woordafbreking
  • alo·pe·cia
Woordherkomst en -opbouw
  • van Latijn alopecia dat teruggaat op Oudgrieks ἀλώπηξ (alopex) "vos", dit kan betrekking hebben op hun haarverlies door de rui of door schurft; vergelijk ook het spreekwoord "Een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken"
enkelvoud meervoud
naamwoord alopecia -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

alopecia v

  1. (medisch) aandoening waardoor haren niet meer of minder aangroeien
    • Toen op school het plan werd opgevat om haar te doneren aan een stichting die pruiken laat maken voor kinderen die geen haar meer hebben – dat hoeft niet door kanker te zijn, kinderen met de haarziekte alopecia zijn soms ook kaal – meldden de meisjes zich spontaan. [1]

Gangbaarheid

29 % van de Nederlanders;
43 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·o·pe·ci·a
enkelvoud meervoud
alopecia alopecias

Zelfstandig naamwoord

alopecia v

  1. (medisch) alopecie, haaruitval

Verwijzingen