Naar inhoud springen

alomtegenwoordigheid

Uit WikiWoordenboek
  • al·om·te·gen·woor·dig·heid
enkelvoud meervoud
naamwoord alomtegenwoordigheid -
verkleinwoord - -

dealomtegenwoordigheidv

  1. (filosofie) de eigenschap om overal tegelijkertijd aanwezig te zijn
     Er kan je een claustrofobisch gevoel overvallen bij de gedachte datje nooit zult kunnen ontkomen aan de alomtegenwoordigheid van priklimonade of de reclameclaims van verzachtende shampoo; dat er altijd wel ergens in de omgeving een boodschap hangt, zelfs in de palmbomen langs de Nijl tussen Aswan en Luxor, of in de paden die naar Angkor Wat leiden, of boven de Niagarawatervallen.[2]
     Het was de alomtegenwoordigheid van de oudheid die tot mijn verbeelding sprak.[3]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. “Hoe overleef ik de moderne wereld” (2022), Atlas Contact op Wikipedia, ISBN 9789045045979
  3. Victoria Holt
    “Geluk in gevaar” (2021), Saga, ISBN 9788726484922