almaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·maar
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

almaar

  1. bij voortduring en herhaling
    • Hij heeft het almaar over zijn ex-vrouw. Zouden ze weer iets hebben? 
Synoniemen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.