almaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·maar
Woordherkomst en -opbouw

Bijwoord

almaar

  1. bij voortduring en herhaling
    • Hij heeft het almaar over zijn ex-vrouw. Zouden ze weer iets hebben? 
Synoniemen

Gangbaarheid

82 % van de Nederlanders;
84 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be