allopaat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·lo·paat
Woordherkomst en -opbouw
  • met het voorvoegsel allo- met het achtervoegsel -paat
enkelvoud meervoud
naamwoord allopaat
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

allopaat m

  1. (medisch) regulier arts, term die alleen door homeopaten wordt gebruikt
     Mijn eerste Vlaamse profploeg had twee artsen in dienst, twee broers. De ene zou je grofweg kunnen omschrijven als allopaat, de andere zocht het meer in het alternatieve welzijn. Zo kreeg ik het beste van twee werelden. Dokter Jules en dokter Ferdinand Mertens waren unaniem: winnen was belangrijk, maar het was nog belangrijker niet als (potentieel) wrak te winnen.[1]
Antoniemen

Gangbaarheid

28 % van de Nederlanders;
29 % van de Vlamingen.[2]


Verwijzingen

  1. Bronlink Weblink bron PETER WINNEN op Wikipedia “De duistere geschiedenis van de wielersport lijkt te zijn uitgemond in een verbale naaldenfobie” (18 juli 2019), de Volkskrant
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be