alleluja

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • al·le·lu·ja
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘tussenwerpsel: lofkreet’ voor het eerst aangetroffen in 1330 [1]
  • Herkomst: Hebreeuws via het Latijn, letterlijk: 'prijst de Heer' [2] [3]
enkelvoud meervoud
naamwoord alleluja alleluja's
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

alleluja o

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) oproep in een aantal psalmen om de Heer te prijzen (24× in OT: Ps. 104:35 +; ook 4× in NT)
Verwante begrippen
  • Hebreeuws (transcriptieversie): haleloeja
  • Hebreeuws-Nederlands (gangbare versie): halleluja

Gangbaarheid

34 % van de Nederlanders;
51 % van de Vlamingen.

Verwijzingen