aligner
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aligner |
alignais |
aligné |
| eerste groep | volledig | |
aligner
- overgankelijk op één lijn zetten; achter elkaar zetten; in een rij zetten; uitlijnen [2]
- overgankelijk (figuurlijk) in overeenstemming brengen; op één lijn zetten
s'aligner
- wederkerend zich op een lijn, in een rij zetten; in een rij staan