aks

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aks
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘bijl’ voor het eerst aangetroffen in 901.[1]
  • Uit Middelnederlands a(e)xe, a(e)cs ‘bijl, strijdbijl, timmermansbijl’,[2] uit Oergermaans *akwesī.[3] Evenals Nederduits Ääks, Duits Axt, Fries akse(bile), hakse(bile), Engels axe, Oudnoords øx en Gotisch aqizi.
enkelvoud meervoud
naamwoord aks aksen
verkleinwoord aksje aksjes

Zelfstandig naamwoord

aks v / m [4]

  1. een bijl met een lange steel en een smalle snede

Gangbaarheid

40 % van de Nederlanders;
45 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Chronologisch Woordenboek, Nicoline van der Sijs
  2. etymologiebank.nl
  3. Guus Kroonen, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013, blz. 19.
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).

Turks

Zelfstandig naamwoord

aks

  1. as, spil.