akoestiek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • akoes·tiek
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘gehoorleer’ voor het eerst aangetroffen in 1751 [1]
  • uit het Frans [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord akoestiek -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

akoestiek v

  1. (natuurkunde) (muziek) de voortplanting van klank in een besloten ruimte en de ervaring die deze voortplanting bezorgd aan de luisteraar
    • De akoestiek van een ruimte kan vaak verbeterd worden door de wanden met speciale materialen te bekleden. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen