ahorn

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ahorn
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘esdoorn’ voor het eerst aangetroffen in 1479 [1]
  • Ontleend aan het Duitse Ahorn. [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord ahorn ahornen, ahorns
verkleinwoord ahorntje ahorntjes

Zelfstandig naamwoord

ahorn m

  1. (plantkunde) een boom of heester van het geslacht Acer
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
71 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen