agiteerde

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • agi·teer·de

Werkwoord

vervoeging van
agiteren

agiteerde

  1. enkelvoud verleden tijd van agiteren
    • Ik agiteerde. 
    • Jij agiteerde. 
    • Hij, zij, het agiteerde.