agendeerden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • agen·deer·den

Werkwoord

vervoeging van
agenderen

agendeerden

  1. meervoud verleden tijd van agenderen
    • Wij agendeerden. 
    • Jullie agendeerden. 
    • Zij agendeerden.