afzwakken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·zwak·ken
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afzwakken [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afzwakken
zwakte af
afgezwakt
zwak -t volledig
  1. minder sterk worden
    • De wind zwakt af zodat we mogen hopen dat de wind gaat liggen. 
    • De regen leek daarnet af te zwakken, maar stopte niet; en toen, in een abrupte overgang van toon, werd hij nog heviger, nog duchtiger, alsof het voorafgaande slechts een prelude is geweest voor het echte plenswerk. [2] 
  2. van een mening dat die minder uitgesproken zal zijn
    • Hij moest zijn zeer uitgesproken mening t.o.v. kernenergie afzwakken toen hij de nieuwe gegevens analyseerde. 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Valens, Anton Het compostcirculatieplan 2016 ISBN 978-90-254-4685-7 pagina 15