afzoenen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·zoe·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afzoenen
zoende af
afgezoend
zwak -d volledig

Werkwoord

afzoenen

  1. overgankelijk kusjes geven, met kusjes bedekken
Vertalingen

Gangbaarheid

67 % van de Nederlanders;
66 % van de Vlamingen.