afzichtelijkheid
Uiterlijk
- Geluid: afzichtelijkheid (hulp, bestand)
- IPA: / ɑfˈsɪxtələkhɛɪt / (6 lettergrepen)
- af·zich·te·lijk·heid
- afleiding van afzichtelijk met het achtervoegsel -heid[1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | afzichtelijkheid | afzichtelijkheden |
| verkleinwoord |
de afzichtelijkheid v
- het heel lelijk zijn
- ▸ Kwam het door de plotseling zich opdringende afzichtelijkheid van Amsterdams voornaamste plein, dat hij, weer buiten staand, opeens aarzelde?[2]
- de lelijkheid
- ▸ . Ja, gedurig ontdekken wij dezelfde afzichtelijkheid in ons eigen hart.[3]
- Het woord afzichtelijkheid staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ “Advocaat van de Hanen” (1990), De Bezige Bij
, ISBN 9789023479925 - ↑
Weblink bron “Verslagenen” (18 december 2019), Reformatorisch Dagblad