afzichtelijk

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·zich·te·lijk
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van het verouderde afzicht (lelijkheid) met het achtervoegsel -lijk
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen afzichtelijk afzichtelijker afzichtelijkst
verbogen afzichtelijke afzichtelijkere afzichtelijkste

Bijvoeglijk naamwoord

afzichtelijk

  1. zo lelijk dat men de neiging heeft de blik elders te richten
    Ik dat ongeluk liep hij een afzichtelijke brandwond op.
Vertalingen