afzenden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·zen·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afzenden
zond af
afgezonden
klasse 3 volledig

Werkwoord

afzenden

  1. overgankelijk iets met een bode of koeriersdienst meegeven teneinde het ergens te laten bestellen
    • De poststukken waren nog niet afgezonden. 
Vertalingen

Gangbaarheid

87 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.