afzakken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·zak·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afzakken
zakte af
afgezakt
zwak -t volledig

Werkwoord

afzakken

  1. ergatief naar beneden glijden
    • Die grote broek bleef maar afzakken. 
  2. ergatief alcohol drinken
    • Na de film gingen we nog even afzakken in de stad. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.