afwinden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·win·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afwinden
wond af
afgewonden
klasse 3 volledig

Werkwoord

afwinden

  1. overgankelijk een opgewonden draad van een klos afwikkelen
    • Ik heb dit garen nog niet afgewonden. 
  2. overgankelijk (scheepvaart) met winden een schip weer vlot zien te krijgen
    • Zij slaagden erin het schip af te winden. 

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
85 % van de Vlamingen.