afweren/vervoeging
Uiterlijk
| vervoeging van de bedrijvende vorm van afweren | |||||||||||
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | afweren | af te weren | ||||||||
| toekomend | zullen afweren af zullen weren |
te zullen afweren af te zullen weren | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | hebben afgeweerd | te hebben afgeweerd | ||||||||
| toekomend | afgeweerd zullen hebben | afgeweerd te zullen hebben | |||||||||
| onvoltooid deelwoord | voltooid deelwoord | gebiedende wijs | aanvoegende wijs | ||||||||
| afwerend | afgeweerd | ev. weer af | mv. verouderd weert af | were af (bijzin) afwere | |||||||
| aantonende wijs | enkelvoud | meervoud | |||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| hoofdzin | ik | jij, je | u | gij, ge | hij, zij, het | wij, we | jullie | zij, ze | |||
| tegenwoordig (o.t.t.) | weer af | weert af | weert af | weert af | weert af | weren af | weren af | weren af | |||
| verleden (o.v.t.) | weerde af | weerde af | weerde af | weerde af | weerde af | weerden af | weerden af | weerden af | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal afweren | zult/zal afweren | zult/zal afweren | zult afweren | zal afweren | zullen afweren | zullen afweren | zullen afweren | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou afweren | zou afweren | zou(dt) afweren | zoudt afweren | zou afweren | zouden afweren | zouden afweren | zouden afweren | |||
| bijzin | .. dat ik | .. dat jij, je | .. dat u | .. dat gij | .. dat hij, zij, het | .. dat wij | .. dat jullie | .. dat zij | |||
| tegenwoordig (o.t.t.) | afweer | afweert | afweert | afweert | afweert | afweren | afweren | afweren | |||
| verleden (o.v.t.) | afweerde | afweerde | afweerde | afweerde | afweerde | afweerden | afweerden | afweerden | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal afweren af zal weren |
zult/zal afweren af zult/zal weren | zult/zal afweren af zult/zal weren | zult afweren af zult weren | zal afweren af zal weren | zullen afweren af zullen weren | zullen afweren af zullen weren | zullen afweren af zullen weren | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou afweren af zou weren |
zou afweren af zou weren | zou(dt) afweren af zou(dt) weren | zoudt afweren af zoudt weren | zou afweren af zou weren | zouden afweren af zouden weren | zouden afweren af zouden weren | zouden afweren af zouden weren | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | heb afgeweerd | hebt afgeweerd | hebt/heeft afgeweerd | hebt afgeweerd | heeft afgeweerd | hebben afgeweerd | hebben afgeweerd | hebben afgeweerd | |||
| verleden (v.v.t.) | had afgeweerd | had afgeweerd | had afgeweerd | hadt afgeweerd | had afgeweerd | hadden afgeweerd | hadden afgeweerd | hadden afgeweerd | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal afgeweerd hebben | zal/zult afgeweerd hebben | zult/zal afgeweerd hebben | zult afgeweerd hebben | zal afgeweerd hebben | zullen afgeweerd hebben | zullen afgeweerd hebben | zullen afgeweerd hebben | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou afgeweerd hebben | zou afgeweerd hebben | zou/zoudt afgeweerd hebben | zoudt afgeweerd hebben | zou afgeweerd hebben | zouden afgeweerd hebben | zouden afgeweerd hebben | zouden afgeweerd hebben | |||
| onpersoonlijke lijdende vorm afgeweerd worden | |||||||||||
| onvoltooid | voltooid | ||||||||||
| tegenwoordig | er wordt afgeweerd | er is afgeweerd | |||||||||
| verleden | er werd afgeweerd | er was afgeweerd | |||||||||
| toekomend | er zal afgeweerd worden | er zal afgeweerd zijn | |||||||||
| voorwaardelijk | er zou afgeweerd worden | er zou afgeweerd zijn | |||||||||
| lijdende vorm afgeweerd worden | |||||||||||
| onbepaalde wijs | kort | lang | |||||||||
| onvoltooid | tegenwoordig | afgeweerd worden | afgeweerd te worden | ||||||||
| toekomend | afgeweerd zullen worden | afgeweerd te zullen worden | |||||||||
| voltooid | tegenwoordig | afgeweerd zijn | afgeweerd te zijn | ||||||||
| toekomend | afgeweerd zullen zijn | afgeweerd te zullen zijn | |||||||||
| enkelvoud | meervoud | ||||||||||
| onvoltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (o.t.t.) | word afgeweerd | wordt afgeweerd | wordt afgeweerd | wordt afgeweerd | wordt afgeweerd | worden afgeweerd | worden afgeweerd | worden afgeweerd | |||
| verleden (o.v.t.) | werd afgeweerd | werd afgeweerd | werd afgeweerd | werdt afgeweerd | werd afgeweerd | werden afgeweerd | werden afgeweerd | werden afgeweerd | |||
| toekomend (o.t.t.t.) | zal afgeweerd worden | zult afgeweerd worden | zult afgeweerd worden | zult afgeweerd worden | zal afgeweerd worden | zullen afgeweerd worden | zullen afgeweerd worden | zullen afgeweerd worden | |||
| voorwaardelijk (o.v.t.t.) | zou afgeweerd worden | zou afgeweerd worden | zou/zoudt afgeweerd worden | zoudt afgeweerd worden | zou afgeweerd worden | zouden afgeweerd worden | zouden afgeweerd worden | zouden afgeweerd worden | |||
| voltooid | eerste | tweede | derde | eerste | tweede | derde | |||||
| ik | jij, je | u | gij | hij, zij, het | wij | jullie | zij | ||||
| tegenwoordig (v.t.t.) | ben afgeweerd | bent afgeweerd | bent/is afgeweerd | zijt afgeweerd | is afgeweerd | zijn afgeweerd | zijn afgeweerd | zijn afgeweerd | |||
| verleden (v.v.t.) | was afgeweerd | was afgeweerd | was afgeweerd | waart afgeweerd | was afgeweerd | waren afgeweerd | waren afgeweerd | waren afgeweerd | |||
| toekomend (v.t.t.t.) | zal afgeweerd zijn | zult afgeweerd zijn | zult afgeweerd zijn | zult afgeweerd zijn | zal afgeweerd zijn | zullen afgeweerd zijn | zullen afgeweerd zijn | zullen afgeweerd zijn | |||
| voorwaardelijk (v.v.t.t.) | zou afgeweerd zijn | zou afgeweerd zijn | zou/zoudt afgeweerd zijn | zoudt afgeweerd zijn | zou afgeweerd zijn | zouden afgeweerd zijn | zouden afgeweerd zijn | zouden afgeweerd zijn | |||