afweren

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·we·ren
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afweren
weerde af
afgeweerd
zwak -d volledig

Werkwoord

afweren

  1. overgankelijk een aanval neutraliseren
    • De onverhoedse aanval werd ternauwernood afgeweerd. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.