afwending

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·wen·ding
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afwending afwendingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

afwending v [1]

  1. het afweren van iets naars of het verdedigen tegen iets vervelends
    • De gereformeerde dr. H. Bouwman zegt in zijn studie over de kerkelijke tucht: „Indien ieder lid der kerk leefde naar eigen welgevallen, indien hij zich niet stoorde aan de belijdenis en de orde der kerk, en er geen middel van verweer tegen of afwending van het kwaad was, dan zou de arbeid der kerk vruchteloos zijn en haar leven zou gevaar lopen. [2] 
    • ,, De geweldsinstructie van de taser zoekt op twee punten aansluiting bij de geweldsinstructie voor vuurwapens,’’ zegt Van Ardenne. ,,Maar nieuw bij de taser is punt d: ter afwending van direct dreigend gevaar voor eigen of iemand anders lijf. [3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Reformatorisch Dagblad Wim Kranendonk 18-11-2017 Kerkelijk gezag is van Hogerhand
  3. Tubantia Victor Schildkamp 01-02-17, ‘Agenten gaan straks veel te makkelijk naar gevaarlijke taser grijpen'
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be