Naar inhoud springen

afwenden

Uit WikiWoordenboek
  • af·wen·den

afwenden

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afwenden
wendde af
afgewend
zwak -d volledig
  1. ergens niet meer naar willen kijken
    • Hij wendde zijn hoofd af van het vreselijke ongeval. 
     Hij keek me medelijdend aan toen ik mijn hoofd schudde en het afwendde.[1]
     Ik kon mij zijn ontzetting indenken, toen deze brave mensen zich haastig afwendden en hun huizen binnengingen.[2]
  1. ergens niet meer over na willen denken of mee bezig zijn
    • Hij wendde zich helemaal van de politiek af na zijn aftreden als minister-president. 
  2. voorkomen van iets onprettigs
    • Door het verhogen van de dijken is het gevaar van een overstroming afgewend. 
     Chantal hief beide handen op en maakte een afwerend gebaar alsof ze hiermee een naderend gevaar kon afwenden.[3]
vervoeging van
afwennen

afwenden

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van afwennen
    • ...dat wij afwenden. 
    • ...dat jullie afwenden. 
    • ...dat zij afwenden. 
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  1. Victoria Holt
    “De Engelse gouvernante” (1981), Saga, ISBN 9788726484823
  2. Victoria Holt
    “In de schaduw van de troon” (1978), Saga, ISBN 9788726484885
  3. All-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht op Wikipedia, ISBN 90-229-9182-2
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be