afwenden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·wen·den
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afwenden

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afwenden
wendde af
afgewend
zwak -d volledig
  1. ergens niet meer naar willen kijken
    • Hij wendde zijn hoofd af van het vreselijke ongeval. 
  2. ergens niet meer over na willen denken of mee bezig zijn
    • Hij wendde zich helemaal van de politiek af na zijn aftreden als minister-president. 
  3. voorkomen van iets onprettigs
    • Door het verhogen van de dijken is het gevaar van een overstroming afgewend. 
     Chantal hief beide handen op en maakte een afwerend gebaar alsof ze hiermee een naderend gevaar kon afwenden.[1]
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
afwennen

afwenden

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van afwennen
    • ...dat wij afwenden. 
    • ...dat jullie afwenden. 
    • ...dat zij afwenden. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Suzanne Vermeer op WikipediaAll-inclusive” op Wikipedia (2006), A. W. Bruna Uitgevers B. V. , Utrecht, ISBN 90-229-9182-2
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be