afwenden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·wen·den
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

afwenden

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afwenden
wendde af
afgewend
zwak -d volledig
  1. ergens niet meer naar willen kijken
    • Hij wendde zijn hoofd af van het vreselijke ongeval. 
  2. ergens niet meer over na willen denken of mee bezig zijn
    • Hij wendde zich helemaal van de politiek af na zijn aftreden als minister-president. 
  3. voorkomen
    • Door het verhogen van de dijken is het gevaar van een overstroming afgewend. 
Synoniemen

Werkwoord

vervoeging van
afwennen

afwenden

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van afwennen
    • ...dat wij afwenden. 
    • ...dat jullie afwenden. 
    • ...dat zij afwenden. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.