afwaswater

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·was·wa·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afwaswater -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

afwaswater o

  1. het sop waarin met het eetgerei schoonmaakt of -gemaakt heeft
    • Je moet het afwaswater nog in de gootsteen gooien. 
Vertalingen

Gangbaarheid