afwassing

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·was·sing
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afwassing afwassingen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

afwassing v [1]

  1. de keer dat men iets schoonmaakt met water
  2. (figuurlijk) het vrijmaken van zonden
     Waarom zouden we onze kinderen niet inprenten wat de Schrift en de gereformeerde traditie ons voorhouden? God is met ons een verbond aangegaan, waarin Hij toezegt dat Hij onze Vader is, waarin Christus ons belooft dat Hij ons wast in Zijn bloed, door ons in te lijven in Zijn dood en opstanding, en waarin de Heilige Geest verzegelt dat Hij altijd bij ons wonen wil en ons toe-eigent wat wij in Christus hebben: de afwassing van de zonden en de dagelijkse vernieuwing van ons leven (doopformulier).[2]
     De doop is voor Augustinus de afwassing van de erfzonde.[3]
Synoniemen

Gangbaarheid

54 % van de Nederlanders;
50 % van de Vlamingen.


Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Kees Jansen en Henk Dijkgraaf “Rijkdom kinderdoop rust op klassiek gereformeerde verbondsopvatting” (28-05-2018), Reformatorisch Dagblad
  3. Bronlink Weblink bron Klaas van der Zwaag op Wikipedia “Augustinus, bisschop én medechristen” (03-01-2019), Reformatorisch Dagblad