afwas
Uiterlijk
- af·was
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | afwas | afwassen |
| verkleinwoord | afwasje | afwasjes |
de afwas m
- het afwassen, het af te wassene
- afwasautomaat, afwasbaar, afwasborstel, afwaskwast, afwasmachine, afwasmiddel, afwasser, afwassing, afwasteil, afwaswater
| vervoeging van |
|---|
| afwassen |
afwas
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afwassen
- ... dat ik afwas.
- Het woord afwas staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "afwas" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[4] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ afwas op website: Etymologiebank.nl
- ↑ “Onder buren” (2021), Ambo/Anthos uitgevers
, ISBN 9789026356186 - ↑ Safae el Khannoussi“Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim
, ISBN 9789493339125 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 5
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %