Naar inhoud springen

afwas

Uit WikiWoordenboek
  • af·was
enkelvoud meervoud
naamwoord afwas afwassen
verkleinwoord afwasje afwasjes

deafwasm

  1. het afwassen, het af te wassene
     Terwijl Dora de afwas doet ziet ze door het raam de houten wolf die al klaar is op de trap zitten.[2]
     Er zaten altijd gaten in mijn kleren en ik deed de afwas alleen als ik het keukenblok niet meer kon zien.[3]
vervoeging van
afwassen

afwas

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afwassen
    • ... dat ik afwas. 
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]