afwachtend

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·wach·tend

Werkwoord

vervoeging van
afwachten

afwachtend

  1. onvoltooid deelwoord van afwachten
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen afwachtend afwachtender afwachtendst
verbogen afwachtende afwachtendere afwachtendste
partitief afwachtends afwachtenders -

Bijvoeglijk naamwoord

afwachtend

  1. observerend maar niet handelend
    • - ` Waar ga jij kerst vieren?' vraagt mijn kapster geroutineerd. In de spiegel zie ik haar afwachtende gezicht, blijkbaar wordt dit hét thema tijdens deze knipbeurt, dus ik kan me er niet met een gemompeld antwoord van afmaken. Bovendien heb ik een hardnekkig soort overtuigingsdrang sinds ik mij voornam om schaamteloos en onverschrokken te leven, dus ik leg uit dat ik atheïst ben en geen kerst vier.[1] 
Synoniemen


Verwijzingen

  1. Zwagerman, Marianne Leven als Jarmund ISBN 978-90-214-5595-2 pagina 15


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.