afvoering

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·voe·ring
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afvoering afvoeringen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

afvoering v

  1. het verwijderen van iets of iemand
  2. de hoeveelheid water die door een rivier stroomt
  3. beweging van een lichaamsdeel van het lichaam af
Synoniemen
Antoniemen

Gangbaarheid

93 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen