afvoercapaciteit

Uit WikiWoordenboek


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·voer·ca·pa·ci·teit
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afvoercapaciteit afvoercapaciteiten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

afvoercapaciteit v

  1. (waterbeheer) de hoeveelheid water die een rivier kan afvoeren zonder te overstromen
     Bas Jonkman, hoogleraar Waterbouwkunde aan de TU Delft heeft het probleem bestudeerd. Hij ontwierp een plan om Houston te helpen met de wateroverlast. "De stad wil groeien, maar je moet een manier vinden waarop je daarmee omgaat. Je hebt genoeg afvoercapaciteit nodig: Houston ligt in het stroomgebied van 22 rivieren."[1]

Gangbaarheid


Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 12 maart 2023 Weblink bron “Het dilemma van Houston: vluchten of erop gokken dat het meevalt?” (Maandag 28 augustus 2017, 11:01), NOS