afviste
Uiterlijk
- af·vis·te
| vervoeging van |
|---|
| afvissen |
afviste
- (in een bijzin) enkelvoud verleden tijd van afvissen
- ... dat ik afviste.
- ... dat jij afviste.
- ... dat hij, zij, het afviste.
- ... dat ik afviste.
- Het woord afviste staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- af·vis·te
- Deense werkwoordsvorm met het voorvoegsel af-
| Naar frequentie | 7955 |
|---|
afviste
- verleden tijd van afvise