afventen
Uiterlijk
- af·ven·ten
| Naar frequentie | 230375 |
|---|
| enkelvoud | meervoud | |||
|---|---|---|---|---|
| onbepaald | bepaald | onbepaald | bepaald | |
| nominatief | afventen | |||
| genitief | afventens | |||
afventen, g
- afwachting
- «Alle holdt vejret i stum afventen.»
- Alle hielden hun adem in in stille afwachting.
- «Alle holdt vejret i stum afventen.»
- en passiv afventen
- en spændt afventen
- afventen in: Det Danske Sprog- og LitteraturselskabDen Dankse Ordbog
op website:ordnet.dk