aftroggelarij
Uiterlijk
- af·trog·ge·la·rij
- Naamwoord van handeling van aftroggelen met het achtervoegsel -arij[1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | aftroggelarij | aftroggelarijen |
| verkleinwoord |
de aftroggelarij v
- de keer dat men op slinkse wijze iets verkrijgt van een ander
- Het woord aftroggelarij staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "aftroggelarij" herkend door:
| 81 % | van de Nederlanders; |
| 85 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ NRC Hans Buddingh' 27 december 2002 Tindemans kletste niet
- ↑ De Standaard 06 FEBRUARI 2004 (yng) Opnieuw Roemeense zwartwerkers in binnenspeeldorp Esen
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be