aftekenen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·te·ke·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aftekenen
tekende af
afgetekend
zwak -d volledig

Werkwoord

aftekenen

  1. overgankelijk een lijn of markering op materiaal tekenen, waarlangs je gaat zagen of boren
    • Hij legde zijn schop plat op de grond en tekende af waar de randen van zijn gat zouden komen. [1]
  2. overgankelijk met een handtekening verklaren dat een handeling volbracht is
    • Bij de levering van de goederen tekent de klant de leveringsbon af voor ontvangst. 
  3. wederkerend zichtbaar, duidelijk worden
    • Hij heeft het fiasco dat zich nu aftekent alleen aan zichzelf te wijten. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Sachar, L., & Waterman, M. (1999). Gaten. Rotterdam: Lemniscaat. ISBN 9789056372422