afstompen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·stom·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afstompen
stompte af
afgestompt
zwak -t volledig

Werkwoord

afstompen

  1. ergatief zijn scherpheid verliezen
    • Dit mes is aardig afgestompt. 
  2. overgankelijk van zijn scherpheid beroven
    • Dat harde ruwe oppervlak stompt je mes snel af. 
  3. overgankelijk iemands tegenwoordigheid van geest nadelig beïnvloeden
    • Hij is door dat geestdodende werk flink afgestompt. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.